Dagaantekening

Over de dood, het leven en nog wat dingetjes.

2014.07.09, 19.40

John Hoole, geest van Hamlet

Eten bij het bruin Eetcafe Lijn 4 in de Twijnstraat. Ik zit aan een tafeltje bij het raam en eet er mijn gebraden ganzenfilet. Er hangen tientallen portretten van bekenden en miskenden. Boven mij portretten van Sigmund Freud en John Hoole (1727-1803). Van John Hoole hoorde ik nooit eerder. Hoole, miskend genie, werd uiteindelijk vertaler. Wilde eerder zijn vader opvolger als horlogemaker. Die wilde daar niet van weten, dus ‘this idea too was discouraged by his father’. Zijn plan acteur te worden mislukte eveneens, wel had hij een keer ’n rol als de geest van Hamlet in het toneelstuk van Shakespeare. Als vertaler werd hij niet geprezen Integendeel. Walter Scott noemde hem ‘a noble transmuter of gold into lead’.

John Hoole, de man die van goud lood maakte. Wie zal nog aan hem denken als dit café wordt opgedoekt? Overigens smaakte mij de ganzenfilet best. Dit echter terzijde.

Vanavond voetbal, maar ook dat gaat gelukkig voorbij.

2014.06.25

Vandaag mailde mij een vriend die schreef dat hij mij op een bijeenkomst had gemist, terwijl hij meende dat ik tijd genoeg had, daar ik alle dagen mijmerend over de begraafplaats Soestbergen wandel. Nu is het waar dat ik daar best graag loop, maar dat komt meer omdat het er groen is, mooi groen en ook heel rustig. De doden op Soestbergen schreeuwen niet als andere mensen, maar liggen maar wat en verder is er alleen vogelgeschrei. Nee, het is geen verlangen naar dood die mij daar brengt. Na je veertigste hecht je niet minder aan het leven, maar meer. Dat het anders is, menen alleen dichters die nog geen dertig zijn. Maar dit alles terzijde.

2014.06.08

De koelte binnen laten. Heerlijk. Net thuis en nu moe als een eendagsvlieg in de avond. Morgen aan programma schrijven. Nu een biertje drinken. Wat is het stil.

2014.05.27, 0.45

Geef mij Nocturnes van Chopin en een glas rode wijn en ik ben geheel van de wereld. Chopin snapte het.

2014.05.19 en 20 mei (19)

Op Soestduinen loop ik tegen de grafsteen van Janus de Winter (1882-1951) aan. Het is een gebeeldhouwde vlam-op-sokkel waarop alleen zijn naam, de geboorte- en sterfdatum staat. Ik ken hem niet, maar de steen is bijzonder. Naast het graf een rood bordje met nr. 31. Dat betekent dat er een verhaal over hem is, een verhaal dat vindbaar is. Van zoveel levens rest er weinig meer dan een steen, maar over de schilder-mysticus Janus de Winter is er veel. Genoeg voor een boek dat ik niet zal schrijven.

De Winter, een gewezen spoorwegambtenaar, ligt vrijwel naast het spoor Utrecht-Arnhem, zo’n driehonderd meter loodrecht op mijn huis. Voluit heette hij Adrianus Johannes Jacobus de Winter.

De Winter door Van DoesburgHij was, denk ik, niet mooi om te zien, maar wel bijzonder. Naar aanleiding van zijn eerste ontmoeting met De Winter schreef Theo van Doesburg dat Janus de W. hem aan Don Quichotte deed denken. Hij tekende hem ook (zie hiernaast). Daar zijn kruin nogal dicht aanlag bij zijn ogen verwachtte hij weinig van het intellect van De Winter, maar des te meer van het psychische en intuïtieve, zo schrijft hij (Theo van Doesburg, 1916, p. 2). En van zijn schilderwerk natuurlijk. Hij onderkent vernieuwende aspecten in zijn schilderijen en bespeurt de invloed van Kandinksky in zijn werk.

Van Doesburg vertelde zijn vrienden over de ontmoeting en zo komt De Winter rond 1916 in contact met onder meer de psychiater-schrijver Frederik van Eeden die in die dagen in de ban is van het spiritisme. De Winter komt dikwijls voor in de dagboeken van Van Eeden (periode 1916-1923) en is zeker niet de figuur die Van Eeden tempert in zijn zucht naar het bovennatuurlijke. Integendeel. In de jaren twintig stijgt de ster van De Winter en schildert hij veel, vooral binnenwereld. Fantasiefiguren, dromen. Er zijn er die zijn werk beter vinden dan dat van Van Gogh. Hij gaat naar Parijs waar hij Piet Mondriaan en andere schilders ontmoet.

Janus de WinterIn zijn latere jaren boet De Winter aan creativiteit in en kiest hij er voor het grote publiek te behagen. Het is het begin van het einde. Hij verliest zijn vrouw aan een huisvriend, raakt aan de drank en sterft op 5 augustus 1951 bij zijn dochter in Den Helder, 69 jaar oud. Het Utrechtse genootschap Kunstliefde begraaft hem op Soestduinen en schenkt het grafmonument.

Doesburg, Theo van (1916). De schilder De Winter en zijn werk. Haarlem: J.H. de Bois.

Eeden, Frederik van (1971). Dagboek 1878-1923. Deel 3: 1911-1918 (ed. H.W. van Tricht). Culemborg: Tjeenk Willink-Noorduijn

Maes, Edwin (2006). Soestbergen. Utrechts aardse paradijs. Utrecht: Spou

2014.05.17 (18), 07.05

Zeven uur. Bij Orloff op de Oosterkade worden de stoelen op het terras gezet. De gehelmde mannen van het spoor zijn al bezig met hun baanbrekend werk. De zon, die nu nog wat langs de dingen streelt, zet straks alles in een gloed. De stilte is er niet meer één die bij de diepe slaap hoort, de stad sluimert nog, maar is bezig te ontwaken. Ik hou van dit moment; van het nog net niet, maar straks. Ik hou van het ‘nog even’.

2014.04.30 (17)

Ik lees een tweet over James Salter, raak geïnteresseerd en lees via EBL in zijn briefwisseling met Robert Phelps. Bevalt. Bestelde later vanmorgen een kookboek van hem en zijn vrouw: Smakelijk leven. Literatuurgeschiedenis met weetjes rond een recept waardoor het maal beter genietbaar wordt, zo hoop ik. Het is de eerste keer dat ik een boek via bol.com bestel. Die zonde zal ook wel wennen.

2014.04.25 (16)

De wereld is zo groot en zo vol dingelijk-heid. Misschien kan ik haar kleiner maken, vindbaar, door goed te kijken: in mijzelf, daarna buiten mijzelf. Allereerst in mijzelf, wellicht blijft er dan genade in mijn ogen vindbaar. Vanuit het zelf naar de ander.

2014.04.16 (15)

Een wandeling gemaakt op Soestbergen. Op weg naar de tuin der doden kwam ik F. tegen die ik helemaal niet kende. Ons gesprekje ging over van alles: over Armando, Cobra, zijn werk als kunstenaar. Over Ischa Meijer – de beste journalist van Nederland – de melancholie van Wim Kayser en het stiekeme loeren van Adriaan Morriën die, naar verluidt, altijd op zoek was naar de bekoring die uitging van mooie meisjes die hun haren vlechten. Zo’n meisje te zien en te bespieden was “de luisterrijke bekroning van het vliedende ogenblik”, zo zei F. En zo ging het nog even door. Herenleed en herenvreugden.

Op Soestbergen zag ik haar steen weer. Anne de Man, schrijfster van meisjesboeken (29 sept. 1910 – 8 jan. 2008). Vlakbij haar graf bloeien viooltjes en ook staat er een prachtige struik. Annie de ManOp de site van de DBNL staat er een vraagteken bij haar geboorte- en sterfjaar. Haar boeken werden allen uitgegeven bij Kluitman in Haarlem (tussen ca. 1950 en 1983). Verder weten we eigenlijk niet zoveel over Annie de Man. Alleen dat een recensent-azijnpisser vond dat boeken als ‘De sneeuwvlokjes’ beter niet geschreven konden worden. Er gaan er wel dertien van in een dozijn, zo schreef hij en ‘met een inhoud die ook al in geen enkel opzicht verrassend is.’ Soms is het niet leuk om schrijfster te zijn van meisjesboeken.

Voor het raam van mijn huis ontluiken de eerste rode rozen. Wat er ook nog moge komen. Het is genoeg voor vandaag.

2014.04.09 (14)

fotoAan het einde van de middag loop ik op Soestbergen tegen een gave zwarte grafsteen die op het eerste gezicht geen naam leek te dragen. Wel zichtbaar is een Duitse tekst van Abraham Mendelsohn [Bartholdy]: Dies ist meine Religion – Ich weiss dass es in allen Menschen einen ewigen Hang zu allem guten, wahren und rechten und ein Gewissen giebt.

Mijn interesse is gewekt. Net boven de zwarte grond en verborgen achter onkruid staat haar naam: Anna Fles. Verder zijn er geen gegevens. Geen geboortedatum of sterfjaar. Niets. Ik heb geen idee hoe oud de steen is, noch ook wie Anna Fles is. Nooit eerder hoorde ik van haar.

Maar het internet legt veel bloot, al moet je er wel een beetje naar graven.

Zo schrijft het Algemeen Handelsblad van 21 november 1906 niet alleen dat er op de begrafenis van Anna Fles niet gesproken werd, maar ook wie er bij de groeve aanwezig waren, onder meer: Alphons Diepenbrock, Willem Petri, Hendrik Zwaardemaker, Lodewijk van Deijssel. Allemaal mensen uit het culturele circuit (m.n. literatuur en muziek). Een advertentie in diezelfde krant op 18 november leert dat zij nog één zus had die haar dood diep betreurde: de kunstenares Etha Fles. De beide ouders waren al eerder overleden.

Anna Fles (20 januari 1854-17 november 1906) was een Utrechtse muziekpedagoge, componiste, schrijfster (pseudoniem A.M. Eldar) en voorzitster van het Utrechtse Palestrinakoor. Zij was bevriend met Frederik van Eeden die haar volgens zijn dagboek regelmatig in Utrecht bezocht, m.n. in de jaren negentig. De vriendschap met Van Eeden stond in de jaren voor haar overlijden onder spanning. Hij was niet op haar begrafenis, maar schrijft er wel over in zijn dagboek: “Gisteren is Anna Fles begraven. Martha [van Vloten/zijn vrouw, Jon] ging er heen, en het was mooi. Ik hield van haar, hoewel we tweemalen van elkaar vervreemd zijn, eens door Betsy, en eens door Bertha. Maar ze waardeerde mij ten slotte toch en ik haar evenzeer. ▫ Het doet mij leed dat ik haar nog niet éénmaal voor haar dood vertrouwelijk heb kunnen spreken. ▫ Maar ach! er blijft zooveel onopgelost en onafgedaan bij ons leven.” (Dagboekaantekening Van Eeden, 21 november 1906).

Anna vertaalde overigens ook nog De kleine Johannes in het Duits. Die, door Van Eeden, geautoriseerde Duitse vertaling werd later door Lu Xun gebruikt in zijn Chinese vertaling van De Kleine Johannes. Ik was als jongen een dolle liefhebber van de Kleine Johannes, het Windekind en Pluizer. Ik denk dat de kleine Chinezen dat ook wel zullen zijn. Maar dit terzijde.

Als ik weer langs haar grafsteen loop zal ik aan hen denken: aan Windekind, Pluizer, Cijfer en ook een beetje aan Anna Fles. En aan de Chinezen natuurlijk.

2014.03.31 (13)

Op het station liep een mooi meisje, haar blonde haren samengebonden in een paarse strik. Ze had een hemelsblauw rokje aan en droeg een panty met een ladder bij haar billen. En ze lachte in zichzelf. Alsof ze dingen in de juiste proporties zag. De proporties die ik niet zag, nu niet en nooit niet.

In haar plastic tas zaten wel vijf paar schoenen, drie hoeden en ook nog twee flessen. Leeg. Toen ging ze dansen op de vierkante stenen en lachte nog harder. Ik ging wat dichter bij haar staan en vroeg of het wel goed met haar ging. Ja, het gaat heel goed, zei ze en ze nam haar hoofd in handen. In de verte zag ik de trein aankomen. Ik ging nog wat meer in haar buurt staan. Mijn beenspieren aangespannen en helemaal klaar om te redden. Ook voelde ik al enige ontroering bij de gedachte aan de heldenrol die ik voor mijzelf in petto had.

In razende vaart ging de goederentrein voorbij. Het meisje met de blonde haren in een paarse strik, het blauwe rokje en de gescheurde panty lachte. “Dit was niet mijn trein”, zei ze. “Mijn trein komt nog wel. Later. Als de NS het wil en ook als ze het niet wil.”

Tien minuten later arriveerde mijn trein. Ik ging mee en liet haar achter bij haar plastic tas met de lege flessen. Alleen. Het meisje met de blonde haren in een paarse strik, met het hemelsblauwe rokje en de panty met een ladder bij haar billen.

Ik kan alleen maar hopen dat haar trein niet komt. Nu niet, nooit niet.

2014.03.18 (12)

De doden op Soestbergen zijn met zoveel draden verbonden aan de stads- en universiteitsgeschiedenis. Ik loop er rond in een tuin en tegelijk in een levend geschiedenisboek.

Willem BarnardEn dat alles vlak bij mijn deur. Vanmiddag liep ik onverwacht tegen het graf van de dichter Willem Barnard op. Hij ligt er met zijn vrouw Tinka. Bovenaan de steen staat: “Het is de tijd die ons gelukkig maakt”. Mooi groen rondom de steen.

Thuis zoek ik in Een zon diep in de nacht naar een dagboekaantekening van Willem Barnard rond de tijd dat Tinka B. stierf. Die aantekening is er niet of mogelijk zijn er passages weggelaten. Toch is er wel iets, want twee jaar na haar dood schrijft hij weer en dan is het direct raak:

“Maar ik ben alleen. Vannacht droomde ik van Tinka, wij liepen samen, ik wou haar kussen – en ze was weg. Het verdriet wordt minder, maar het gemis wordt groter, zei Stella [Hasselaar]. Het is waar.

Het knagende gemis. Die vrouw, mijn vrouw, de vrouw. En het besef, steeds meer, dat ik het af moet leggen tegen de tijd. Dus, als altijd, de liefde en de dood. De simpele amour, de serieuze dood. Venus en Thanatos. En niet veel geloof. De hunkering is rood, de angst is donkergrijs.”

Willem Barnard en zijn Tinka liggen vlakbij de graven van de dode vliegeniers waarover ik eigenlijk had willen schrijven. Over de man die in juni 1943 dwars door het dak viel van een huis aan de Kapelstraat. Dood. Hangend aan een parachute die niet openging. Vervolgens kwam hij op het bed terecht van een echtpaar dat de schrik van hun leven kreeg. Voor hem en die andere vliegeniers was ik naar het kerkhof gegaan. Ik vond hen, maar ik vond nog meer. Te veel.

Er is zoveel. Te veel dood in de lente.

2014.03.11 (11)

Werd vanmorgen wakker met een leren lap in de bek. Wankelde het bed uit en bereikte nog net op tijd de kraan. Water. Moest denken aan het verhaal van C., de Turkse fietsenmaker in de R.straat. Hij vertelde mij gisteren het verhaal dat stervenden vlak voor hun dood vaak een enorme dorst hebben. Op dat moment verschijnt de duivel aan het voeteneinde en belooft de bijna dode water in ruil voor de afzwering van het geloof. Het was zijn moeder ook overkomen, zei hij, ‘maar het liep goed af. want wij gaven haar water en zij stierf in vrede.’

2014.03.08 (10)

Gelukkig is er muziek die het lijden van de wereld op zich neemt. ‘t Verzoent wel niet, maar ‘t verzacht. Vanmorgen wakker geworden met Arnalds – Eulogy for Evolution. Elektronische muziek weliswaar, maar zorgt er voor dat de geest weer tot het lichaam komt. Geist im Glas, bitte!

2014.03.07 (9)

Als ik, zoals vanmiddag, langs de plaats wandel waar de schilder en zeeman Dolf Zwerver ligt, moet ik altijd even glimlachen.Dolf Zwerver ‘Tot hier is hij gekomen’ staat er op zijn steen. Hij was vast ook filosoof. Boven zijn naam staat de afbeelding van een uil. Die heeft iets met wijsheid, meen ik.

Zwerver was volgens de dichter Ingmar Heytze de laatste grote schilder uit een Utrechtse school van magisch realisten als Pyke Koch en J.H. Moesman. Heytze zegt nog meer mooie dingen over Zwerver: bescheiden mens, groot schilder en ontsnappingskunstenaar.

Het zegt toch wat over de ervaren werkelijkheid dat bijna iedereen er aan wil ontsnappen. Ver komen we niet, maar ‘soms even’ is genoeg. Dolf Zwerver wist dat en hij maakte zich geen illusies: tot hier is hij gekomen. Soestbergen, vak G.

2014.03.06 (8)

Las vanmorgen op hardhoofd, een digitaal tijdschrift, een stuk over vergankelijkheid en eeuwigheid. Daarin bespreekt Emy Koopman haar ervaring met Alle mensen zijn sterfelijk, de roman van Simone de Beauvoir die in september 1989 diepe indruk op mij maakte. Ik had, zo meende ik toen, het concept van de eeuwigheid begrepen: eindeloze herhaling, verveling en ook uitstel omdat noch tijd, noch dood, noch schaarste, noch nood het Zijn ordende en je tot een keuze dwong.

Maar niet alleen de eeuwigheid, ook het heden werd nooit meer hetzelfde. Het dak boven mijn hoofd verdween en de mij toegemeten tijd kromp en ik moest kiezen. En in de loop van krimpende tijd werd dit besef niet minder, maar meer. Simone de Beauvoir zette met de roman Alle mensen zijn sterfelijk het hier en nu op de kaart. Voortaan gedoemd om te kiezen. Voor nu en altijd. Men onkomt niet aan de Prediker. Nu niet, nooit niet.

Maar vanaf vandaag wil ik eeuwigheid. Ruimte.

2014.03.05 (7)

Gustave Flaubert13.30 – Kwam gisteren een passage in brief van F. aan Louise Colet tegen over wat een optimist de ‘circle of life’ noemt. Lijkt erg op de ideeën die de nu zo dode Leo Vroman had: “het Leven verdringt de Dood, het laat gras groeien in versteende schedels en op het steen, waarin een van ons zijn droom gehouwen heeft, verschijnt steeds het Eeuwige Principe, telkens als de gele muurbloem bloeit. – Het is een zoete gedachte dat ik eens zal helpen tulpen te laten groeien. Wie weet? De boom aan de voet waarvan ik begraven zal worden, zal misschien uitstekende vruchten dragen. Ik zal geweldige humus zijn, voortreffelijke vogelmest.”

Er staat geen boom aan wiens voet Gustave Flaubert is begraven. Hij ligt in Rouen. Niet onder bomen of bij bloemen, maar wel, zo zegt Cees Nooteboom ergens: ‘in zo’n lullig burgerlijk familiegraf’ en omgeven door dor gras. Tja.

2014.03.04 (6)

21.45 – Flaubert spreekt in zijn brieven in de jaren veertig regelmatig over het schilderij De Verzoeking van de heilige Antonius. In een brief aan zijn geliefde, Louise Colet (21/22 augustus 1846), schrijft hij hoe het somber groteske van het schilderij hem bekoort. Jammer dat ik niet weet van welke schilder hij die afbeelding kocht. Mooi ook hoe hij beschrijft hoe dat schilderij hem aanzet tot reflectie: ik ben als ‘een arabesk in een mozaïek’ met stukjes ivoor, goud, ijzer en er zijn er van beschilderd karton. Er zijn er van diamant. En er zijn er van blik. Maar zijn geliefde Colet ziet  Flaubert als een vrouw uit één stuk. De dwaas 😉

Elisabeth Somermeijer11.00 – Op Soestbergen schijnt de zon op de grafsteen van Elisabeth Somermeijer. Alleen haar naam staat op de steen, maar de grafbezorgers waren voor het overige wel scheutig. Zo staat er een strak en stevig zwartgeverfd hek omheen. Misschien waren ze bang om haar opnieuw te verliezen.

Elisabeth S. ligt vlakbij de rotonde van Zocher, waar de elite van het 19e eeuwse Utrecht werd begraven. In mijn plattegrond ligt ze op de scheiding van vak F en G. Jaja, ik werp mijzelf maar even op als de administrateur van de doden van Soestbergen.

Merkwaardig dat er niets op de steen van Elisabeth staat. Ik heb mijn bronnen, maar die leveren weinig op. Elisabeth S. werd 33 jaar en stief in 1898. Op 22 jarige leeftijd werd ze hulponderwijzeres in Semarang, de havenplaats in het toenmalige Nederlands Indië, waar ze na 2 jaar promotie maakte als onderwijzeres van de openbare 1e lagere school A. Dit alles volgens het Bataviaasch Dagblad.

Eind 1897 krijgt Elisabeth Somermeijer zes maanden verlof. Onbetaald verlof, want ‘buiten bezwaar van den lande’. Tja, dat is Nederland. Groot voor de groten, klein voor de kleinen. Wellicht was ze ziek. We weten het niet, maar op 9 maart 1898 sterft ze. De moeder van Elisabeth was trouwens al eerder overleden. Op een overgeleverde foto kijkt ze ietwat triest uit haar ogen. Maar ze had een leuk hoedje op en prachtige lippen. Hàd, dat dan weer wel.

2014.02.24 (5)

Ik zat in de trein toen ik hoorde dat hij was overleden. Opgenomen in de heerlijkheid van het Systeem. Fijn vond ik het, voor hem dan, dat hij eerder was gegaan dan T., de vrouw die sterker was dan hij, maar met wie hij samen sterker, moediger en misschien ook wel blijer was dan wie ook. Ik denk dat te weten, zag een paar jaar geleden een documentaire over hem en zijn vrouw. Maar wat weten wij van een ander en wat kunnen wij weten? Niet zo heel veel, vrees ik.

Vroman dus, de dichter die zijn psalmen richtte aan het Systeem. Spinozistische gedichten en zo vreselijk intiem. Zin om te citeren uit Psalm 1. Systeem! Gij spitst geen oog of baard | en draagt geen slepend kleed; | hij die in U een man ontwaart | misvormt U naar zijn eigen aard | waar hij ook niets van weet. (…) Systeem! Lijf dat op niets gelijkt, | Aard van ons hier en nu, | ik voel mij diep door U bereikt | en als daardoor mijn tijd verstrijkt | ben ik nog meer van U.

Ben ik nog meer van U.

2014.02.23 (4)

Ik luister naar Amy Winehouse en dat komt door Hans Engberts, een van de twee eigenaars van Hindericks & Windericks, maar nu verscheiden. Gisteren liep ik toevallig – maar wat is toeval? – tegen zijn grafsteen op en dacht meteen aan een interview met Engberts over ziekte, dood, drank, vrouwen en muziek van Winehouse (NRC weblog).

Hans EngbertsVroeger  kwam ik vaak bij Hindericks & Windericks. Na het lezen van het Winkeldagboek van de beide antiquairs was ik altijd bang om in deel II ontmaskerd te worden als één van die domme klanten van H & W. die nooit gepast geld bij zich hebben, maar wel altijd afdingen op de boekenprijs. Als ik al naar binnen durfde wilde ik het liefst onzichtbaar zijn. Intussen was en is Hindericks & Windericks wel de mooiste tweedehands boekenzaak van Utrecht.

Hans Engberts was naast antiquair ook schrijver en schaker. We hadden ooit een boeiend gesprek over Antonius van der Linde, één van de merkwaardigste figuren (en een schaker) uit de 19e eeuw die –  van doopsgezinde afkomst – als gereformeerd predikant de dubbele predestinatie leerde (vanzelfsprekend natuurlijk gezien zijn schaakachtergrond), promoveerde op Spinoza, bibliografieën samenstelde over David Joris, Spinoza en Balthasar Bekker en als vrijdenker en Spinozist eindigde. De man was trouwens doodongelukkig. In de liefde, maar ook buiten de liefde. Van de Linde schreef ook een studie over de bronnen en geschiedenis van het schaken, een boek dat een paar jaar geleden nog honderden euro’s kostte. Ik was er jaren naar op zoek en hoopte een exemplaar te vinden bij Hindericks & Windericks. Ik heb het nooit gevonden.

Hans Engberts heeft een mooie grafsteen, heeft wel iets weg van een surfplank. Zo’n ding waarop men wel voor altijd zou willen scheren op gods golven en langs eeuwige stranden gaan. Zoiets, maar dan beter.

2014.02.18 (3)

Geschiedenis leeft en zeker op het kerkhof. Ik liep vanmiddag op Soestbergen tegen het graf van Robert van Genechten aan. Hij ligt er – sinds zijn herbegrafenis in 1958 – samen met zijn zoon Frits die eind oktober 1949 een sierijzer tegen zijn hoofd kreeg en aan de gevolgen daarvan overleed. Het grafmonument maakte in eerste instantie op mij de indruk van een Boeddhabeeld. Het zit echter anders. Al in 1943 gaf Van Genechten opdracht aan de beeldhouwer en sierkunstenaar Chris Agterberg tot het ontwerp van het beeld op het graaf: een barende vrouw met een eikentak in haar hand. Germaanse symboliek.Genechten In dat jaar leed Van Genechten overigens aan een depressie en werd hij door de nazi’s op een zijspoor gezet. Robert van Genechten was een vooraanstaande NSB-er – naast Mussert en Van Geelkerken – en werd in oktober 1945 ter dood veroordeeld. In een laatste brief aan de griffier van het Bijzonder Gerechtshof betuigde hij schuld over zijn daden: ‘het is alsof ik uit een droom ontwaakt ben’ (RIOD, [1946], 78).

Van Genechten wilde geen gratieverzoek indienen omdat zijn schuldbekentenis daardoor zijn betekenis zou verliezen en ook ‘omdat overigens de dood mij liever is dan het leven’. Hij ontliep het vuurpeloton door zich op te hangen aan de broekband van een onderbroek aan de buis van de centrale verwarming in zijn cel in Scheveningen, zo meldt het rapport van het RIOD.

Wat de geschiedenis nog interessanter maakt is het gegeven dat de uit Vlaanderen afkomstige Van Genechten ooit bevriend was met de dichter / dadaïst Paul van Ostaijen en hem rond 1919, tijdens zijn Berlijnse periode, brieven stuurde waarmee hij Van Ostaijen mogelijk op een politiek spoor zette. Die brieven waren in het bezit van Gerrit Borgers, maar zijn onlangs uitgegeven.

De brieven kan ik nog deze week bij de UB ophalen (Macht moet zijn in handen van de menschen met ethos : 5 brieven over macht en revolutie van Robert van Genechten aan Paul van Ostaijen (januari-maart 1919). Geschiedenis ligt op straat!

2014.02.17 (2)

Op Soestbergen. De krokussen bloeien er mooi in het groene gras. Nieuw leven temidden van de dood. Er liggen nogal wat hoogleraren theologie op dat kerkhof. Ik signaleer er J.I. Doedes, Nicolaas Beets, J.J. van Oosterzee en Jacob Cramer. Het valt me op dat de meesten onder van hen een zuiltje hebben. Een laatste poging om tot aan de hemel te reiken. In een enkel geval ligt de echtgenote voor het zuiltje, zoals bij J.J. van Oosterzee. Nicolaas Beets is een uitzondering. Die heeft geen zuil, alleen een platte steen met de tekst God is mijn licht. De man werd tijdens zijn leven aanbeden. Ik heb een zwak voor de man vanwege zijn moerbeitoppen en de toevende god.

Ik spreek de hovenier aan die me naar de grafsteen van de architect Gerrit Rietveld brengt. Rietveld lag eerder begraven naast zijn minnares Truus Schröder-Schräder. Zijn kinderen vonden dat niet leuk en daarom werd hij in 1995 vanuit Bilthoven verplaatst naar Utrecht en herbegraven op Soestduinen. Nu ligt hij er als ‘weduwnaar van Vrouwgien Hadders.’ Voor altijd alleen.

2014.02.16 (1)

In het Verzameld proza van Nescio gelezen (Insula Dei). Dat is filosofie verstopt in kannetjes en melkkokers. Ofwel reflecties omtrent het Eeuwige in het alledaagse. Daarna een ontroerende documentaire over een Staphorster vrouw die van het leven houdt, zichzelf serieus neemt en voor haar rechten opkomt. Mooi. Zag ook jeugdvriend G. op een SGP bijeenkomst figureren, uiterlijk weinig veranderd. Wat beter in het vet.

Het weer is prachtig, de zon komt door en ik geniet van de lysianthes en de lelies in mijn glazen vazen, en ook van de prunus autumnalis. Zo nog even wandelen en een paar boodschappen doen voor het eten. JD komt vanavond. Dan experimenteren met een maaltijd, heb een recept voor knoflooksoep.

One thought on “Dagaantekening

  1. toevallig kom ik op of in deze blog terecht, want bezig met zuster van Anna Fles- Etha. Over beide zusters is, Anna en Etha is veel en divers’ te vertellen.
    Niet omdat ze nu wereldkunst of- literatuur nalieten maar omdat het zo’n interessant tijd was waarin zij leefden. Er is een erg leuk boekje van Suzette Haakma over Etha en in het Letterkundig museum komt dit najaar een kleine expositie over schrijvende vrouwen uit hun tijd.
    met groet en waardering voor de mooie teksten
    ellen

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.